Deel dit artikel:

15/02/2026

Economie en antroposofie 

Deel 10
Grond: grondslag van de prijsvorming

Zie hier voor deel 9


Naar overzicht alle delen

Mercedes Benz Dieselschlepper ca 1930


Om Steiner's redenaties inzake de grondslag van de prijsvorming beter te begrijpen, eerst even een kleine opfrisser: in deel 6 kwamen de twee door Steiner geformuleerde waardenvormende processen aan de orde. De één op basis van geest (‘geest toegepast op arbeid’), en de ander op basis van natuur (‘arbeid toegepast op natuur’). Aangezien sommige geestelijke prestaties de neiging kunnen hebben om zich vrij eenvoudig te multipliceren, dienen deze begrenst te worden in de invloed op prestatie en tegenprestatie, zoals bijvoorbeeld door middel van patenten en auteursrecht. Bij de producten die door bewerking van arbeid van de natuur tot stand komen, de eigenlijke 'waren', ligt dit compleet anders. Ze zijn niet zonder inspanning te multipliceren en hebben de eigenschap verbruikt te raken. 

Mother Eart Quebec

Mother Earth, kunstwerk in Gatineau, Québec, Canada
 (bron: wikimedia)

 

Bij natuur zelf als zodanig kun je niet zonder meer van verbruik spreken. Natuur heeft van zichzelf uit een zekere mate van economische productiviteit zoals vruchtbaarheid, aanwezige grondstoffen of simpelweg de ligging zoals bijvoorbeeld een handige bergpas of een strand met zonnig klimaat.
Toch heeft deze productiviteit een ander karakter dan bij de 'geestelijke' productiviteit. 'Geest' heeft een soort onuitputtelijk karakter, er komen telkens nieuwe uitvindingen en veel oude uitvindingen blijven gebruikt worden. Bij natuur is er in de kern sprake van een beperking: de hoeveelheid grond groeit niet mee met de wereldbevolking, de lucht die we inademen is niet onbeperkt beschikbaar et cetera. 

Smog boven Almaty, Kazachstan

Schone lucht is geen vanzelfsprekendheid
Smog boven Almaty, Kazachstan, januari 2014 (bron: wikimedia)

 

Het interessante is nu dat hoe wij omgaan met deze inherente beperking die de natuur met zich meebrengt, bij Steiner bij uitstek de basis vormt van de economie.“ Het economisch leven berust in eerste instantie op de natuur, zoals wat de afzonderlijke mens worden kan door onderwijs en opvoeding, door het leven, op zijn fysieke en geestelijke constitutie berust.” (1)

De wijze waarop natuur van invloed is op de economie variëert naar gelang de lokale omstandigheden.   “Want aan alle warencirculatie en ook alle menselijke arbeid en ook alle geestelijk leven ligt als primair basaal uitgangspunt datgene wat de mens bindt aan een bepaald stuk natuur.” (2)  
Het meest basale wat de mens economisch gezien bindt 'aan een bepaald stuk natuur' is bij uitstek de grond zelf. 
"Het werken op basis van de grond is inderdaad de voorwaarde voor alle andere economische bedrijvigheid." (3)

Dit 'werken op basis van de grond' betreft in de eerste plaats het werken voor onze dagelijkse voedselbehoefte; of het nu de jacht is of het bewerken van een akker. Concreet gezegd: alle economie begint met het dagelijks brood. 

Vincent van Gogh, de Zaaier

De Zaaier, Vincent van Gogh (bron: wikimedia)


Consequent doorgeredeneerd betekent dit dat de arbeidsprestaties die geleverd worden om voedsel voor de gemeenschap te creëren, uiteindelijk als uitgangspunt dienen voor alle verdere denkbare economische activiteiten. 
"Men moet over de samenhang van het sociale organisme met de natuurgrondslag net zo denken, als men met betrekking tot leren bij de afzonderlijke mens rekening moet houden met iemands aanleg."  Passen we deze uitspraak toe op de voedselvoorziening in een bepaald gebied, dan betekent het rekening te houden met lokale bodemvruchtbaarheid en met lokale productiemogelijkheden. (4)

Graan oogsten in Madya Pradesh, India

Graan oogsten in Madya Pradesh, India
(april 2012, bron: Yann, Wikimedia)


Steiner lichtte meer gedetailleerd toe aan de hand van de landbouw in een bepaald gebied: " Het zal dus zaak zijn iets te vinden wat de mogelijkheid geeft om de economische waarden over en weer ten opzichte van elkaar in te schatten. (..) En toch (..) slaagt men erin om een dergelijke inschatting mogelijk te maken. Dat betekent dat voor een bepaald moment een bepaalde menselijke arbeid mogelijk is, laten we zeggen de arbeid om op een oppervlak met een grootte van x vierkante meter tarwe te produceren, totdat de tarwe bij de handelaar of ergens anders is. Dit is zeker een gegeven grootheid, die zelfs te bepalen is (..).  
De landbouwer werkt rechtstreeks aan de natuur, iemand die laten we zeggen voor de kleding zorgt, werkt niet direct aan de natuur, maar zijn arbeid gaat wel op de natuur terug. (..) steeds zult u erop uitkomen dat al het economische tenslotte toch teruggaat op het lichamelijke werken aan de natuur en dat datgene wat bij de natuur waardevormend begint te zijn - de toepassing van arbeid tot aan een bepaald, zo dicht mogelijk bij de natuur liggend punt- dat dit de waarden zijn die moeten worden verdeeld over het hele gebied van de in zichzelf besloten economie." (5)

Graan oogsten in Gloucesterhire, Engeland

Graan oogsten in Gloucestershire, Engeland
(augustus 2016, bron: Wikimedia)


In essentie betoogt Steiner hier dat de prijs van ons dagelijkse brood uitstekend als richtsnoer kan dienen voor alle verdere waardebepaling in de economie. 
Het is vervolgens zaak om uit te pluizen welke factoren van invloed zijn op de prijsvorming van een basisproduct zoals graan. De belangrijkste factoren die direct van invloed zijn op de oogst, zijn klimaat en bodemvruchtbaarheid én de wijze waarop men de betreffende grond bewerkt. Welke productiemethode wordt gehanteerd? Welke machines zijn nodig? Hoeveel menselijke arbeid? 
Bij de arbeid van de boeren in kwestie, komen de reeds eerder bepaalde zaken aangaande arbeidsrecht aan de orde (zie deel 3). Wat wordt beschouwd als een basale werkweek en hoeveel vakantiedagen horen daar bij?  

Er is een onderliggende vraag die rechtstreeks met de bepaling van het arbeidsrecht samen hangt. Je kunt immers wel met elkaar hebben bepaald dat een werkende recht heeft op een vijfdaagse werkweek, maar de vraag is natuurlijk wel wat er economisch mogelijk is. Dit dien je volgens Steiner in eerste instantie te bepalen door te kijken naar 
de omvang van de bevolking die afhankelijk is van het betreffende stuk grond: "Waar het hier om gaat, is sterk afhankelijk van de verhouding van de grootte van de bevolking tot het grondoppervlak en daarmee ook van de vraag hoeveel een bepaalde populatie door middel van arbeid uit dit grondoppervlak, uit het grondoppervlak komt tenslotte alles, kan halen." (6)

 

 

Graan oogsten in Kano State, Nigeria

Graan oogsten in Kano State, Nigeria
(maart 2017, bron: Wikimedia)

 

Steiner komt hier met een aanzet tot een concrete uitwerking: (..)" Veronderstel een economisch gebied dat op een of ander moment een bevolking van 35 miljoen inwoners heeft. En neemt u nu als hypothetisch uitgangspunt dat deze 35 miljoen inwoners in omstandigheden moeten worden gebracht die economisch zo rechtvaardig mogelijk zijn. Wat zou men dan moeten doen wanneer men wilde dat in dit gebied een toestand heerst die aanvaardbare prijzen teweeg brengt? Dan zou u (...) ieder afzonderlijk mens zoveel van het grondoppervlak moeten geven, maar nu berekend op een gemiddelde mate van vruchtbaarheid en bewerkbaarheid, wat neerkomt op het gehele grondoppervlak dat de productie mogelijk maakt, gedeeld door 35 miljoen."

Steiner trekt deze redenatie helemaal door, tot baby's aan toe: "Denkt u zich eens in, dat elk kind bij zijn geboorte gewoon zo veel grondoppervlak mee zou krijgen om het steeds te bewerken, dan zouden de prijzen ontstaan die werkelijk op een dergelijk oppervlak kunnen ontstaan. (noot: uitdrukkelijk als metafoor! "U zult niet menen dat wat ik nu zeg, anders dan beeldend bedoeld.") (..) doordat dit hele economisch proces het gehele oppervlak over zo en zoveel mensen verdeelt, waarbij de mensen dan alles wat uit de grond opkomt op gepast wijze verder moeten bewerken. Men kan zich het hele grondoppervlak verdeeld over het inwonertal voorstellen en dat als reëel feit geeft elk afzonderlijk ding zijn ruilwaarde. Wanneer u dat dan vergelijkt met onze huidige werkelijkheid, dan zult u vinden dat het ene een prijs heeft ver daaronder en het andere een prijs ver daarboven." (7)

Er ontstaat hier zoiets als een zeer concrete waardemaatstaf waarmee je een soort houvast hebt om de economie te monitoren en eventueel bij te sturen: voor een bepaald economisch gebied, omgerekend naar de daarmee verbonden inwoners, kun je de opbrengst van een stuk landbouwgrond als uitgangspunt nemen voor de prijsvorming. Hoe zou dat voor Nederland er uit kunnen zien? 

Zie deel 11: Iedereen een grondaandeel 

1
 KP blz 45
2 KP idem

NK 5-8-1922 
4 KP blz 46 
“ (…) dat door de verhouding van de mens tot de natuurgrondslag van zijn  economisch handelen de mate van arbeidskracht bepaald is, wat hij in het economisch proces in moet brengen.” Steiner raadt aan dit voor jezelf duidelijk te maken aan de hand van extreme voorbeelden en geeft zelf een voorzet. Volgens hem is er "conservatief geschat", zo'n driehonderd keer minder inspanning voor nodig om bananen op de markt te brengen in vergelijking met het voor voedsel geschikt maken van tarwe. Ook wijst hij op verschillen in bodemvruchtbaarheid aan de hand van tarwe: “In Duitsland is ongeveer de opbrengst zo, dat het zeven- tot achtvoudige van het zaad er bij de oogst uitkomt, in Chili het twaalfvoudige, in Mexico het zeventienvoudige en in Peru het twintigvoudige.”  (Dit alles anno 1919 op basis van de gegevens uit Jentsch, Volkswirtschaftslehre) 
5 NK 6-8-1922
6 idem
7 idem